Lancewadplan Logo

Gebiedsidentiteit Kop van Noord-Holland

Hieronder vindt u de beschrijving van dit deelgebied. Een ge?llustreerde beschrijving kunt u als pdf-bestand downloaden. De bijbehorende kaart kunt u als afzonderlijk pdf-bestand downloaden.

Ge?llustreerde beschrijving Kop van Noordholland 

Kaart Kop van Noordholland 

Geomorfologie
Het gebied dat momenteel tot de Kop van Noord-Holland behoort is pas na de laatste ijstijd ontstaan. Lange tijd was het gebied zee. Na de Romeinse tijd raakte de hele Kop van Noord-Holland met veen bedekt. De heuvels van Texel en Wieringen staken daar bovenuit. De beschuttende strandwal, die waarschijnlijk bewoond was, lag enkele kilometers ten westen van de huidige kustlijn. Het veen ontwaterde in oostelijke richting via het Marsdiep dat toen nog een zijriviertje van het Vlie was.

Ontginnings- en bewoningsgeschiedenis
Op verschillende plaatsen zijn in de Kop van Noord-Holland bewoningssporen uit het Neolithicum gevonden, zoals in de Groetpolder en in de Zijpe- en Hazepolder. De occupatie van het veengebied vond plaats vanuit de gebieden die in de Merovingische tijd bewoond waren: de huidige eilanden Texel en Wieringen, alsmede waarschijnlijk het nu in zee verdwenen oude duinlandschap dat zuidelijk van het Rekere ook bewoond was. De eerste bewoning van het veen, nog in de Merovingische tijd, vond plaats langs het Marsdiep, de Rekere en langs de veenrivier de Middenleek, in de omgeving van de tegenwoordige stad Medemblik. In de Karolingische tijd waren er in het gebied vier grote bewoningsconcentraties: op Texel, op Wieringen, in noordelijk West-Friesland (tussen Andijk en Medemblik) en een kleinere in de omgeving van Den Helder. Ook het verdwenen duinlandschap zal bewoond zijn geweest. In deze tijd was de kust tussen Bergen en Texel nog gesloten.

Pas later werd de strandwal tussen Bergen en Texel doorbroken door de Zijpe, het Heersdiep en een zeegat ten zuiden van Texel, dat later verbinding zou krijgen met het Marsdiep. De greep die de zee kreeg op het land had zowel een natuurlijke oorzaak, het stijgen van de zeespiegel, als een menselijke oorzaak. Vanaf de hoger gelegen veengronden trokken mensen de veengebieden in om die te ontginnen en geschikt te maken voor de akkerbouw. Door het veen te ontwateren kwamen er twee processen op gang, inklinking en oxidatie. Die twee processen samen zorgde voor een snelle bodemdaling waardoor de zee steeds makkelijker het gebied kon binnendringen. Uiteindelijk lagen tussen de zeegaten, grotendeels ten westen van het huidige kustlijn, alleen nog de eilanden Callantsoog en Huisduinen. In de 16de eeuw slaagde men erin om betere bedijkingen aan te leggen en er werd volop ge?xperimenteerd met het droogmalen van polders. Hierdoor won men veel land terug van de zee. In de periode waarin de Kop van Noord-Holland als het ware een waddengebied was, werd er door de zeegaten veel zand afgezet. Deze zandafzettingen liggen aan de oppervlakte in onder andere de Polder Koegras. In de 16de eeuw verzandden de zeegaten Zijpe en Heersdiep; het Marsdiep bleef bestaan en werd breder en dieper. Het Marsdiep werd steeds belangrijker voor de scheepvaart en had derhalve ook strategische betekenis. Dit blijkt uit het feit dat er in de 16de eeuw aan weerskanten van het diep schansen werden aangelegd.

Men heeft verschillende keren geprobeerd het waddengebied achter het zeegat van de Zijpe in te polderen. In 1597 lukte dit definitief en ruim 6.500 hectare zandige grond in de Zijpe- en Hazepolder werd geschikt gemaakt voor de landbouw. Drie assen doorsnijden de polder, daarlangs zijn boerderijen gebouwd. De oostelijke as is de Groote Sloot en is ook de meest monumentale, mede door de fraaie stolpboerderijen. Het Noord-Hollands Kanaal dat tussen 1819-1825 is aangelegd, voegt zich keurig in het stramien en loopt tussen de middelste en de westelijke as.

Noordelijk van de Zijpepolder ligt de Polder Koegras of Buitenveld. De polder is bedijkt in 1817, vlak voor de aanleg van het Noord-Hollands kanaal. De Anna Paulownapolder is net na de aanleg van het kanaal bedijkt, in 1847. Beide polders hebben een rationele verkaveling. De Waard- en Groetpolder uit 1844 past eveneens in dit beeld.

Op de noordpunt van het vasteland van Noord-Holland ligt de vesting Den Helder. Vanaf 1781 was dit een oorlogshaven. Aanvankelijk beschikte men alleen over batterijen die de kust bestreken, in de Franse tijd werd ook de landzijde verdedigd. In de periode 1811-1813 werden uitgebreide verdedigingswerken aangelegd: fort Lasalle (later fort Erfprins), ten zuiden daarvan fort Mortland (Kijkduin) en het fort l?Ecluse (Dirks Admiraal). Nadat het Noord-Hollands Kanaal gereed was werden ook de forten Westeroever en Oosteroever gebouwd.

De afgelopen decennia zijn in de Groetpolder woonplaatsen ontdekt van mensen die hier aan het eind van het Neolithicum hebben gewoond. De archeologisch waardevolle terreinen bestaan uit nederzettingen van de Trechterbekercultuur en de Enkelgrafcultuur. De vindplaatsen zijn buitengewoon belangrijk door de aanpassingen van de toenmalige bewoners aan het mariene milieu. Daarnaast zijn de vondstomstandigheden zo bijzonder dat overwogen wordt de Groetpolder te nomineren voor de Werelderfgoedlijst.

De grote kavels van de relatief jonge polders zijn nog steeds zeer geschikt voor de landbouw, tot op heden is dit dan ook de belangrijkste functie van het landschap. De bollenteelt neemt het grootste deel van de gronden in gebruik. In het voorjaar is het gebied een toeristische trekpleister. Tot ver over de grens zijn de Nederlandse bloembollen en bloembollenvelden beroemd, ook veel buitenlandse toeristen komen dan ook de kleurenpracht bewonderen.