Lancewadplan Logo

Gebiedsidentiteit Westergo

Hieronder vindt u de beschrijving van dit deelgebied. Een ge?llustreerde beschrijving kunt u als pdf-bestand downloaden. De bijbehorende kaart kunt u als afzonderlijk pdf-bestand downloaden.

Ge?llustreerde beschrijving Westergo  

Kaart Westergo  

Geomorfologie
Het IJsselmeer en de Waddenzee begrenzen het deelgebied Westergo in het westen en het noorden . Een dijkenstelsel en een aantal wateren vormen de zuid- en oostgrenzen. Westergo is het meest uitgestrekte terpen- en wierdengebied van Nederland. De geschiedenis van het gebied gaat terug tot de laatste ijstijd. Door het smeltende water steeg de zeespiegel, wat ook een verhoging van het zoete grondwater tot gevolg had. Hierdoor ontstond parallel aan de kust een gebied waarin zich veen ontwikkelde. Aan de zeekant van het veen ontstonden strandwallen, die door inbraken van de zee in kleinere stukken werden verdeeld: de waddeneilanden. Tussen deze strandwallen en het veengebied kwam een gebied te liggen met geulen, zandplaten en kwelders, waar de zee tweemaal daags in doordrong.

Ten tijde van de eerste bewoning lag een geul diep het land in en mondde de rivier de Boorne hierin uit. Deze geul slibde langzaam dicht en iets oostelijker ontstond een nieuwe zeearm, de Middelzee, die diende als estuarium van de Boorne. Langs de geulen werden lage ruggen afgezet: de kwelderwallen. Achter deze wallen liggen vrij vlakke, wat lager gelegen gebieden: de kwelderbekkens. In het noorden van Westergo liggen, evenwijdig aan de kustlijn, langgerekte kwelderwallen. Door aanslibbing verschoof de kustlijn enkele malen in noordelijke richting, zodat de zuidelijkste kwelderwal het oudste is en de wallen naar het noorden toe steeds jonger worden. In het zuiden van Westergo ligt de overgang van het zeekleigebied naar het veengebied.

Bewonings- en ontginningsgeschiedenis
De van nature hooggelegen delen werden het eerst bewoond: de kweldervlakten in het zuidoosten, de kwelderwallen in het noorden en de oeverwallen langs de Middelzee, de Marne en de kleinere kreken. Zodra een kwelder hoog genoeg was opgeslibd, werd die bewoond. Door de zeespiegelstijging werd het echter noodzakelijk om de woonplaatsen op te hogen. Deze plaatsen werden met mest en kleizoden verhoogd tot woonheuvels, de terpen.. De terpen in het zuiden van Westergo zijn vaak onregelmatig verkaveld en de boerderijen staan verspreid over de terp. In het noordelijk deel zijn de percelen regelmatiger en blokvormig. Een bijzonder soort terp zijn de handelsterpen. Deze lagen op een oeverwal langs een kreek of zeearm, zodat de schepen er konden aanleggen. Deze terpen hebben een langgerekte vorm met bebouwing aan weerzijden van een lange weg. Deze vorm was gericht op het drijven van handel, in tegenstelling tot de oudere terpen, waar vooral boerderijen stonden. Vele terpen verloren hun functie door de aanleg van de dijken en werden vanaf de 11de eeuw afgegraven om de vruchtbare grond te gebruiken bij het bemesten van de landbouwgrond. Gebouwen werden vaak afgebroken en weer opgebouwd nadat de terpaarde was afgegraven. In het landschap zijn nu nog de steilwanden en de versnipperde dorpsdelen zichtbaar als getuigen van de grootscheepse afgravingen. Naast de winning van terpaarde werd op enkele plaatsen ook klei gewonnen voor de fabricage van bakstenen. De afgetichelde percelen zijn nog herkenbaar in het landschap door abrupte hoogteverschillen tussen de afgegraven en niet afgegraven gronden.

Op sommige plaatsen komen ?kruinige percelen? voor. Dit zijn percelen waar men grond van de rand van de percelen naar het midden verplaatst, dat bevorderde de ontwatering van de bodem maar leverde ook een risicospreiding op. In de natte jaren gaven de hoogste delen van de akkers de hoogste opbrengst, in droge tijden leverden de lager gelegen delen juist meer op. Wat landbouw betreft heeft de nadruk in Westergo  altijd gelegen op veeteelt. Alleen op de hoger gelegen, drogere, kwelderwallen was het mogelijk om akkerbouw te bedrijven.

E?n van de meest opvallende cultuurhistorische kenmerken van Westergo is het dijkenstelsel. Hier liggen de oudste dijken van Nederland. In eerste instantie werden lage dijkjes aangelegd om een boerderij of enkele akkers te beschermen. In de 10de  eeuw omsloten ringdijken steeds grotere gebieden, dit zijn de ?memmepolders?, de moederpolders. Kreekjes, gelegen binnen de gesloten ring, werden afgedamd en voorzien van sluizen om de afwatering te be?nvloeden. Vanuit deze moederpolders werd meer land ingedijkt. Deze dijken sloten haaks aan op de oudere dijken van de moederpolders. Door het uitbreidende netwerk van dijken verloren veel zeewerende dijken hun functie en werden slaperdijk. Een slaperdijk is een waterkering die alleen dienst doet als de hoofdwaterkering, de zeedijk, het begeeft. Vele slaperdijken raakten in de loop der jaren in verval en zijn opgeruimd. Toch zijn er nog een aantal in het landschap herkenbaar, zoals de Griene Dijk en de Slachtedijk. In de eerste instantie werden de dijken aangelegd ter bescherming tegen de zee, maar vanaf de 11de en 12de eeuw werden dijken aangelegd om land te winnen. Voordat dit gebeurde overstroomde delen van Westergo nog geregeld en sloeg de zee stukken land weg. Dit landverlies is nog duidelijk te zien in het grillige verloop van de Zuiderzeekustlijn. Op andere plaatsen braken dijken door, dat lieteen kolkgat achter. De dijk werd hersteld en om het kolkgat heen gelegd, daardoor kreeg de dijk een kronkelig verloop.

De rol van de handelsterpen, die door de bedijking en inpoldering van de zeearmen niet meer goed bereikbaar waren, werd overgenomen door de zogeheten ?zijldorpen? die bij de sluizen (zijlen) ontstonden. Uiteindelijk zijn in Westergo circa 700 dorps- en huisterpen ontstaan. Aan het eind van de Late Middeleeuwen telde Westergo vijf steden: Bolsward, Workum, Harlingen, Franeker en Hindeloopen.

Westergo heeft niet alleen gestreden tegen het zeewater, ook de binnenwaterhuishouding was problematisch. Na de bedijkingen was een natuurlijke afwatering niet meer mogelijk en zijn er tal van vaarten zoals de Zwette gegraven, ook zijn de natuurlijke waterlopen aangepast en sluizen aangelegd.

In het zuidwesten liggen een aantal droogmakerijen, ontstaan door het leegmalen van ondiepe meren. Er zijn drie grote en een aantal kleinere droogmakerijen. Vooral de groten vallen op door rationele en kleinschalige verkaveling, die duidelijk contrasteren met het onregelmatige en blokvormige verkavelingspatroon van het omliggende oude land.

Een belangrijk cultuurhistorisch element in Westergo zijn de ?steenhuizen? of ?stinsen?. Aanvankelijk waren dit enkel verdedigbare stenen torens, gebouwd op een verhoging, een stinswier, omgeven door een gracht en een aarden wal. Deze torens dienden als toevluchtsoord. Later werden ?zaalstinsen? gebouwd, die beter bewoonbaar waren. Er zijn slechts drie stinsen overgebleven, die zijn omgebouwd tot statige landhuizen.

Lange tijd is het vervoer over water de belangrijkste manier van transport geweest. Van nature beschikte het land al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Delen hiervan zijn met elkaar verbonden en werden gebruikt voor de afwatering en de scheepvaart. In de 17de eeuw kwam een netwerk van trekvaarten tot stand. Hiervoor werden reeds bestaande vaarten tussen grote plaatsen verbreed, uitgediept en voorzien van ??n of twee trekwegen of jaagpaden, een voorbeeld is de Harlingertrekvaart. Verkeer over land heeft zich lang beperkt tot wegen over de dijken, de jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen. Naast de landwegen werd eind 19de eeuw niet alleen een spoorwegennet maar ook een aantal tramwegen en lokaalspoorwegen aangelegd. De tram- en lokaalspoorwegen raakten echter al snel weer buiten gebruik door de komst van autobussen en vrachtauto?s. De loop van de tram- en spoorlijnen is vaak nog wel te herkennen in het landschap in spoordijken of verkavelingspatronen.

De 20ste eeuw bracht ingrijpende veranderingen met zich mee. De ruilverkaveling heeft op veel plaatsen het oorspronkelijke verkavelingspatroon aangetast of het verdween zelfs helemaal.  Ook  zijn de ontwikkelingen op verkeersgebied snel gegaan. Het verkeer over land werd belangrijker dan het vervoer over water. Vele wegen zijn aangelegd. De aanwezigheid van vele meren en vaarten heeft de aanleg van wegen echter altijd al bemoeilijkt. Ook nu nog is Westergo, met name het zuidoostelijke deel, slecht ontsloten. Er liggen weinig doorgaande en veel doodlopende wegen.

Een groot deel van de stinsen is afgebroken, er werden boerderijen gebouwd op het overgebleven borgterrein. In het landschap is de omgrachting vaak nog goed herkenbaar, evenals de beplanting met de hoge bomen.