Lancewadplan Logo

Gebiedsidentiteit Reitdiepgebied (Hunsingo)

Hieronder vindt u de beschrijving van dit deelgebied. Een ge?llustreerde beschrijving kunt u als pdf-bestand downloaden. De bijbehorende kaart kunt u als afzonderlijk pdf-bestand downloaden.

Ge?llustreerde beschrijving Reitdiepgebied (Hunsingo) 

Kaart Reitdiepgebied (Hunsingo) 

Karakterisering
Hunsingo bestaat uit enkele grote, oude cultuurlandschappen die omringd worden door voormalige zeeboezems. Bochtige sloten zijn restanten van voormalige waddengeulen, en ook de ligging van de lange reeksen terpen op de kwelderwallen getuigt van de vroegere invloed van de Waddenzee. Het gebied Middag Humsterland behoort tot het gebied Hunsingo.

Geomorfologie
Het oudste kweldergebied, waar Middag-Humsterland deel van uitmaakt, lag in een schil rondom de pleistocene zandgronden van het Westerkwartier. Toen de eerste mensen rond 600 voor Christus het kweldergebied introkken werd de kwelder begrensd door een brede kustwal. Deze lag ter hoogte van Garnwerd en Zoutkamp. Ten zuiden van Garnwerd ging de kustwal over in de linker oeverwal van de Hunze. In verschillende fasen werd het kweldergebied verder naar het noorden uitgebouwd doordat de kwelders aan de zeezijde aangroeiden. Door de geleidelijke zeespiegelstijging kwamen de nieuw gevormde kwelders steeds iets hoger te liggen dan de oude. Tussen circa 550 en 50 voor Christus werd de kwelderwal Niekerk-Zuurdijk gevormd. Tussen 300 en 600 na Chr. volgde de kwelderwal Ulrum-Leens-Wehe, terwijl in het achterliggende gebied zware knikklei werd afgezet. In de eeuwen erna veranderde het kustgebied van de regio sterk. De trechtermond van de Hunze slibde dicht, terwijl de zeeboezem van de Lauwers zich begon te ontwikkelen. Deze dynamiek, waarbij de ene zeeboezem verlandde en een andere tot ontwikkeling kwam, is kenmerkend voor het noordelijk kustgebied. Door inbraken vanuit de Lauwerszee vanaf de 7e eeuw veranderde het kweldergebied in een aantal eilanden en schiereilanden, gescheiden door kreken. Een van deze kreken maakte contact met de benedenloop van de Hunze, die vervolgens in plaats van in noordelijk richting naar het westen ging stromen. Dit deel van de Hunze kreeg de naam Rietdiep. Op de (schier)eilanden werd in deze periode lichte klei afgezet. De oude monding van de Hunze werd tenslotte geheel afgesloten door de kwelderwal van Pieterburen en Westernieland.

Het landschap van Hunsingo is door bedijkingen afgesloten van de invloeden vanuit zee. Het dynamische karakter van het gebied is met het afsluiten van de Lauwers stil komen te liggen. De dijken aan de Waddenkust zijn op Deltaniveau gebracht en van getijden is geen sprake meer. Het landschap is open en wordt gekenmerkt door veel dijken (langs de kust in het dijkenlandschap) en kronkelige waterlopen (in het wierdenlandschap).

Ontginnings- en bewoningsgeschiedenis
Vanaf ongeveer 600 voor Chr. zijn de kweldergronden bewoond geraakt. Voordat de mensen zich permanent in het gebied vestigden is er een periode aan voorafgegaan waarbij de kwelders als zomerweide dienst deden van de boeren die op de hoger gelegen zandgronden woonden. De vruchtbare kleigronden oefenden echter zo?n aantrekkingskracht uit dat men zich op een gegeven moment permanent op de kwelders ging vestigen. Uiteraard zocht men de hoogste plekken op voor het bouwen van boerderijen. De oeverwallen van de Hunze waren het meest geschikt voor bewoning. De eerste nederzettingen zullen zich op de lijn Adorp, Winsum, Baflo en Warffum bevonden hebben, en op die van Dorkwerd, Garnwerd, Ezinge en Houwerzijl. Omstreeks 500 voor Chr. nam de overstromingsactiviteit toe. Dit luidde de eerste fase van ophoging van de wierden in. Dat gebeurde met huisafval, mest en kwelderzoden.

De boerderijen lagen op de flanken van de wierde. Ze werden zo gebouwd dat het woongedeelte naar de kern van de terp gericht was en het bedrijfsgedeelte naar de lage kant. Op deze manier was een goede verbinding tussen de stallen en de omringende weilanden verzekerd. Soms werd er aan de voet van de dorpswierde een weg aangelegd die de boerderijen met elkaar verbond, de zogenaamde ossenweg. Op het hoogste punt van de wierde was een dobbe gegraven waar drinkwater en bluswater uit gehaald konden worden. Het wierdengebied maakte in de Romeinse tijd een grote bloeiperiode door, met bevolkingsgroei en toenemende druk op de grond als gevolg.

Tot omstreeks het jaar 1000 hebben de bewoners van het wierdengebied de dreiging van overstromingen door het ophogen van de woonheuvels trachten te pareren. Nadien ging men dijken aanleggen om niet alleen de dorpen, maar ook het omringende landbouwgebied te behoeden voor overstroming door het zeewater. Behalve voordelen bracht de bedijking echter ook bezwaren met zich mee. Door de dijken werd het moeilijker het overtollige water af te voeren.

In Hunsingo begon de geschiedenis van de bedijking met de aanleg van ringdijken rondom de oude cultuurlandschappendorpen. De eerste dijken waren die rond de kerngebieden van Middag en Humsterland in de elfde of twaalfde eeuw. Ook het Marnegebied ten noorden van het Reitdiep heeft vermoedelijk zo?n ringdijk gehad. De oudste doorlopende zeewerende dijk langs de Noord-Groningse kust kwam omstreeks 1200 tot stand. Toen deze dijk werd aangelegd was de oorspronkelijke monding van de Hunze al geheel dichtgeslibd.

De bedijkingen leidden tot nieuwe nederzettingen, die niet op een wierde lagen en hun ontstaan dankten aan de nabijheid van de dijk zelf, een afwateringssluis of een weg. Niet zelden werden de wegen aangelegd op de restanten van een oude dijk. Zijldorpen zijn Schouwerzijl, Houwerzijl, Munnikezijl, Kommerzijl, Lauwerzijl, Niezijl en Pieterzijl. Dijkdorpen in de regio zijn Den Andel, Den Ham, Kleine Huisjes, Kloosterburen, Molenrij, Pieterburen, Den Hoorn, Westernieland/Kaakhorn en Zuurdijk.

In de loop van de Middeleeuwen is het bewoningspatroon tot stand gekomen dat ook het huidige landschap kenmerkt. Nadien zijn nog slechts enkele dorpen en buurtschappen ontstaan tengevolge van nieuwe inpolderingen. In de achtste eeuw werden de Ommelanden van Groningen gekerstend. Dit leidde in veel wierdedorpen tot de bouw van een kerk in het centrum, vaak op de plaats van de voormalige drinkwaterplaats, de dobbe. In een aantal gevallen werd rondom het kerkhof van de wierde een kleine gracht gegraven ter vervanging van de dobbe. Overigens kon de dobbe pas worden gedempt als men op een andere manier aan voldoende zoet water kon komen. Dat betekent dat de bouw van de kerken en het verdwijnen van de dobben moet hebben plaatsgevonden na de bedijking, toen in de sloten voldoende zoet water beschikbaar was.

De kerstening had niet alleen de bouw van kerken tot gevolg. Er werden in de regio ook vier kloosters gesticht. Van de kloosters in Selwerd, Kloosterburen, Nijenklooster en Aduard was het in 1192 gestichte cisterci?nzerklooster Aduard het invloedrijkste. De monniken en lekebroeders van Aduard hielden zich bezig met het in cultuur brengen en de waterbeheersing van het omliggende gebied. Aangenomen wordt dat de monniken bijgedragen hebben aan de bedijkingen van Middag en Humsterland. Na een bedijking moest er zorg gedragen worden voor een goede afwatering. Voor de afvoer van het overtollige neerslagwater in Hunsingo werd het Aduarderdiep gegraven, waardoor het water via een uitwateringssluis op het Reitdiep kon worden geloosd. Een initiatief van de Aduarder monniken was de oprichting van zogenaamde zijlvesten: waterschapsorganisaties waarvan de abt in de veertiende en de vijftiende eeuw aan het hoofd stond.

Over de landbouw in de Middeleeuwen is weinig bekend. Wel kunnen we aannemen dat het boerenbedrijf overal in de regio een gemengd bedrijf was, waar zowel akkerbouw als veeteelt bedreven werd. Vermoedelijk heeft het accent in de laaggelegen delen, zoals Middag en Humsterland, op de veehouderij gelegen, terwijl in het noorden, vooral op de vrij hoge kwelderwallen, meer akkerbouw plaatsvond. In de achttiende en de negentiende eeuw vond er een intensivering van de productie plaats;

In het mondingsgebied van het Reitdiep in de Lauwerszee werden in de achttiende en negentiende eeuw verschillende gebieden ingepolderd, zoals de Zuurdijksterpolders en de Oude en Nieuwe Ruigezandsterpolder.

De belangrijkste waterweg in Hunsingo is het Reitdiep, waardoor de schippers vanuit Groningen naar zee konden varen. De meanders in de loop van de rivier waren lastig voor de scheepvaart. Om dit te verbeteren heeft men o.a. ten westen van Winsum (1629) en Sauwerd (1661) enkele forse meanders afgesneden. De oude bedding, het Oude Diepje, is als een slenk met een doorgaande brede sloot nog mooi in het landschap herkenbaar.

Veel borgen zijn verdwenen, soms is het borgterrein nog in de vorm van grachten of beplanting zichtbaar. Soms ook staat er tegenwoordig een gelijknamige boerderij op de plaats van de verdwenen borg. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Aldringaheert bij Feerwerd, en de Englumheerd en Jensema bij Oldehove. (alle drie in Middag-Humsterland/Weterkwartier) Nog bewaard gebleven borgen zijn Verhildersum bij Leens, (Allersma bij Ezinge en Piloursema bij Den Ham de laatste 2 weer in Westerkwartier).

Tussen 1840 en 1945 vonden er op grote schaal commerci?le afgravingen plaats, waarbij vrijwel geen enkele wierde onaangetast is gebleven. De vruchtbare aarde werd gebruikt als meststof voor landbouwgebieden elders. Voor het vervoer van de aarde werd de bestaande opvaart gebruikt, in een enkel geval werd er zelfs een nieuwe gegraven of een veldspoor aangelegd. Sommige wierden werden geheel afgegraven, andere slechts ten dele. Aanwezige bebouwing of een kerkhof hield de afgraving van dat deel van de wierde tegen. Bij deze laatste ontstonden duidelijke hoogteverschillen tussen de vergraven delen en de niet vergraven delen, zoals bij Ezinge. Zulke steilranden zakken op den duur enigszins uit en vormen zo een bedreiging voor historische bebouwing, die vlak bij de rand staat, zoals veel oude kerken.

Een voor met name de regio van het Reitdiep kenmerkende bedrijvigheid is de baksteenindustrie. De zware, kalkloze knikklei die tussen 300 en 600 na Christus werd afgezet was zeer geschikt om de typerende rode, Groninger baksteen van te maken.

Vanaf het begin van de 19de eeuw werd de zogenaamde landbouwersmethode gehanteerd, waarbij kuilen in de kwelder gegraven werden, waarin het slib bezonk. Gedurende massale werkeloosheid in 1935 werd de landaanwinning op voortvarende wijze ter hand genomen: dammen werden gebouwd van palen en rijshout die vakken van 400 bij 400 meter omsluiten.

Voor de nieuw aangewonnen gronden gold tot de Napoleontische tijd het recht van opstrek. Sedert die tijd kwam een periode alle nieuwe land toe aan het rijk. De boeren hebben echter tegen de staat geprocedeerd en gewonnen: de boeren aan de zeezijde mochten de eerste 300 meter in beslag nemen, en op de volgende had hij het recht van voorkoop. Het primaire doel was landaanwinning voor de landbouw. Polders die de afgelopen eeuwen ontstaan zijn dankzij de landaanwinning zijn de Negenboerenpolder, de Julianapolder, de Hornhuisterpolder, Door de veranderde economische behoefte en het toenemend belang dat aan de natuurwaarde van de Waddenzee gehecht wordt, zijn de landaanwinningwerken intussen gestaakt. De Lauwerszee is ingepolderd met het doel het in te richten als waterbergings- en natuurgebied.