Lancewadplan Logo

Gebiedsidentiteit Fivelingo

Hieronder vindt u de beschrijving van dit deelgebied. Een ge?llustreerde beschrijving kunt u als pdf-bestand downloaden. De bijbehorende kaart kunt u als afzonderlijk pdf-bestand downloaden.

Ge?llustreerde beschrijving Fivelingo  

Kaart Fivelingo  

Geomorfologie
Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, bereikte het landijs Nederland. In de landijsbedekking zijn door de geologen vijf fasen onderscheiden. Gedurende de eerste vier fasen lag het gebied van het huidige Fivelingo onder het ijs en werd een laag keileem afgezet. In de laatste fase rukte het ijsfront, na een periode van afsmelten, op tot Winschoten, Onstwedde en de Hasseberg. De aanwezige keileemlaag werd samen met oudere afzettingen opgestuwd en de op deze wijze gevormde stuwmorenes liggen  nu nog als hoogten in het terrein. Aan het eind van de ijstijd, toen het landijs in onze streken al was afgesmolten, werd het keileemlandschap door erosie aangetast en ontstonden er brede dalen, de latere Fivelboezem en Hunzeboezem.

In het Holoceen breidde - omstreeks het jaar 600 voor Christus - de zee haar invloed uit en vormde aan weerskanten van het woldgebied ten noorden van de stad Groningen uitgestrekte zeeboezems: de Hunzeboezem aan de westkant en de Fivelboezem in het oosten. Er ontstond een uitgestrekt waddengebied met kwelders, slikken en geulen. Op de hoogste delen van het gebied, de kwelderwallen, gingen mensen wonen die na verloop van tijd hun woonplaatsen moesten ophogen om zich te verdedigen tegen overstromingen. Gaandeweg slibde de Fivelboezem dicht enbreidde het kwelderland zich aan zeezijde uit. In de tussenliggende kwelderbekkens werd zware klei afgezet, in tegenstelling tot het lichte sediment in de vorm van zand en zavel die men op de hogere wallen aantreft. Door klink en oxidatie van de veenlagen werd het hoogteverschil tussen de vroegere kwelders en het achterliggende woldgebied in de loop der tijd steeds groter.

Ontginnings- en bewoningsgeschiedenis
Uit het Neolithicum (Jonge Steentijd) dateren stenen bijlen die gevonden zijn bij Slochteren en Siddeburen. Na het Neolithicum waren de bewoningsmogelijkheden in grote delen van het gebied vermoedelijk erg ongunstig door het uitgebreide veenmoeras dat hier was ontstaan. Dit veranderde door de vorming van de Fivelboezem. Op de hoger opgeslibde delen van het gebied konden mensen gaan wonen. Op de kwelderwallen aan weerskanten van de Fivelboezem ontstonden reeksen wierdedorpen, net als op de zuidelijke oeverwal van de Eems. Deze oeverwal bevatte een lange reeks nederzettingen, die als gevolg van overstromingsgevaar zijn opgehoogd. In het Duitse deel van het Reiderland en in het gebied tussen Termunten en Delfzijl zijn deze terpen nog terug te vinden; in het Dollardgebied zijn ze verdwenen. Op de Punt van Reide zijn nog (onbewoonde) restanten van terpen aanwezig.

Vermoedelijk werden de opgeslibde kwelders in eerste instantie gebruikt om in de zomer vee te weiden of op kleine schaal akkerbouw te bedrijven. De eerste permanente bewoners vestigden zich op de hoogste delen van de kwelderwallen. Later, toen de stormvloeden frequenter en dreigender toesloegen, werd begonnen met het opwerpen van woonheuvels, de wierden. Al spoedig groeiden verschillende individuele woonheuvels aaneen tot gezamenlijke dorpsterpen. Onder de oudste nederzettingen in de regio bevinden zich Eenum, Eenumerhoogte en Farmsum.

In de periode rond het begin van de jaartelling ging het voorspoedig met de bewoners van de wierden; de bevolkingsdichtheid nam toe en er werd ruilhandel gedreven met de Romeinen. De wierdebewoners hadden zich intussen bijna geheel toegelegd op de veeteelt: slechts kleine terreinen waren geschikt als bouwland, omdat akkerbouwgewassen over het algemeen niet bestand zijn tegen overstroming met zeewater. Kleine akkers lagen op de flanken van de wierden (de zogenaamde ?valgen?). Tussen de vierde en de 7de eeuw na Christus verslechterde de afwatering van de regio door het ontstaan van nieuwe kwelderwallen langs de kust, die langzaamaan de Fivel afsloten. In deze periode werden enkele wierden verlaten.

De boerderijen op de wierden werden zo gebouwd dat het woongedeelte naar het centrum gericht was en het bedrijfsgedeelte naar de lage kant. Op deze manier was een goede verbinding tussen de stallen en de omringende weilanden verzekerd. Vaak werd er aan de voet van de dorpswierde een weg aangelegd die de boerderijen met elkaar verbond, de zogenaamde ossenweg. In tal van wierden vinden we een dergelijke ossenweg. Belangrijk voor een wierdedorp was het hebben van een vaarverbinding met de dichtstbijzijnde waterloop. Daarom hebben vrijwel alle wierdedorpen een zogenaamde ?maar? of ?riet?. Hun kronkelige verloop kregen deze verbindingen door het feit dat bij het aanleggen van de ?riet? of ?maar?, vaak gebruik gemaakt werd van een  bestaande kreek. Soms is aan de vorm van de wierde te zien dat we met een oude handelsnederzetting te maken hebben. De ?boerenwierden? zijn meestal rond van vorm, terwijl de handelsdorpen een langgerekte wierde hebben. Stedum is een voorbeeld van een handelswierde. De rivier de Fivel speelde hierbij een rol als verbinding. Evenals Stedum ontwikkelde ook het nabij gelegen Loppersum zich vanaf de Vroege Middeleeuwen tot een langwerpige handelsnederzetting.

In de twaalfde en 13de eeuw zijn er verschillende kloosters in de provincie gesticht. De kloosterlingen spanden zich samen met de bewoners in om dijken aan te leggen en nieuw land in cultuur te brengen. In de regio zijn vele kloosters te noemen, waarvan het klooster Bloemhof wellicht de invloedrijkste was.

Evenals elders in de provincie Groningen speelden invloedrijke geslachten op het platteland eeuwenlang een belangrijke rol. Uitvalsbasis van een landsheer was de borg, een van oorsprong versterkt huis. Vaak werd er eeuwenlang aan borgen verbouwd en gesleuteld, waardoor verschillende fases in de nog bestaande bouwwerken terug te vinden zijn. In de 19de eeuw zijn veel van deze borgen gesloopt. Niet alle borgen werden gesloopt: in Uithuizermeeden staat de 17de eeuwse Rensumaborg nog overeind, evenals de Menkemaborg (v??r 1400) te Uithuizen en de Fraeylemaborg bij Slochteren.

Zoals gezegd begon al in de Vroege Middeleeuwen de Fivelboezem dicht te slibben, vooral aan de westkant. Een nieuwe reeks dorpen ontstond in die tijd, van het al genoemde Stedum in het zuiden tot Oldorp in het noorden. Vanaf de 12 de  eeuw werd de rest van de boezem stukje bij beetje bedijkt. In 1444 werd een dijk gelegd van Godlinze naar de kustwal van Uithuizermeeden en Roodeschool, waardoor de invloed van de zee op de Fivelboezem afgelopen was. Verdere landaanwinning vond in etappes plaats tussen 1718 (Oostpolder en Polder Vierburen) en 1944 (Emmapolder). Naast zeedijken kent het Fivelingo ook een tweedal dijken die lager gelegen delen moesten beschermen tegen het aanstromende water, dit zijn de al genoemde Wolddijk en Graauwe Dijk van het Duurswold.

De introductie van de dijken betekende ook het startsignaal voor waterbeheer op grotere schaal: zo werd er een kunstmatige waterafvoer gegraven van Winneweer naar een rivier bij het latere Delfzijl, de zogenaamde Delf (het huidige Damsterdiep). Aan de dijk van de Delf ontstond de dijknederzetting Garrelsweer, dat zich na de verlening van markt-, munt- en tolrecht in 1057 ontwikkelde tot handelsplaats. Bij Westeremden en Appingedam werden dammen met uitwateringssluizen (zijlen) aangelegd. Uitwateringssluizen of zijlen waren belangrijk voor het waterbeheer. Daar werd het overtollige boezemwater geloosd. De aanleg van een zijl was vaak de aanleiding tot het ontstaan van een nieuwe nederzetting (bijvoorbeeld Zijldijk).  Bij het bouwen van een zijl hoorde ook de oprichting van een ?zijlvest?, een gemeenschappelijke organisatie die belast was met het onderhoud van de zijlen.

Met de bedijkingen ontstond er veel nieuw land dat vervolgens gebruiksklaar gemaakt moest worden. Veel oude, van oorsprong natuurlijke waterlopen zijn in het verkavelingspatroon opgenomen. Hierdoor ontstond de kenmerkende, blokvormige verkaveling. Het reli?frijke land werd door de boeren rondgeploegd, om het water sneller af te laten stromen. Het gevolg hiervan zijn de kenmerkende ?bolle akkers? of ?kruinige percelen?

Tot in de 20ste eeuw zijn delen van de hoog opgeslibde kwelders bedijkt en tot landbouwgrond omgevormd. Vanaf omstreeks 1700 werd het opslibbingsproces versneld door landaanwinningswerken. In 1811 werd de Noordpolder drooggelegd, gevolgd door de Uithuizerpolder (1827), de Eemspolder (1876), de Lauwerpolder (1892), de Julianapolder (1924) en de Linthorst Homanpolder (1940). Daarna zijn geen nieuwe inpolderingen meer uitgevoerd.

Naast landbouw was er ook een sterke opkomst van industrialisatie in de 19de eeuw. Aan het Damsterdiep, in Garrelsweer, Wirdum, Appingedam en Delfzijl stonden steenfabrieken. Dergelijke permanente steenfabrieken of tichelwerken werden gevestigd op plaatsen waar de grondstof (knikklei) dan wel de brandstof (turf) beschikbaar was, en waar de transportmogelijkheden geschikt waren. Het Damsterdiep leende zich hier goed voor. De fabrieken produceerden de karakteristiek rode Groninger bakstenen.

Van grote invloed in het gehele Groningse kweldergebied was de afgraving van de vruchtbare grond waaruit de wierden zijn opgebouwd. De grond werd per schip naar  de Groninger en Drentse veenkoloni?n gebracht om de arme zandgronden te bemesten. Dit leidde tot het op grote schaal afgraven van wierden en huisplaatsen.

De meeste regionale en bovenregionale bedrijvigheid treft men tegenwoordig langs de kust aan bij de Eemshaven en bij Delfzijl. Vroeger lag het economisch zwaartepunt langs de Delf, het latere Damsterdiep.  De aanleg van het Eemskanaal en de spoorlijn legden het voortraject van de groei in de 20ste eeuw in de vorm van een Bronsmotorenfabriek (1906), de co?peratieve strokartonfabriek de Eendracht (1908) en stadsuitbreiding. Uiteindelijk werden de wierdedorpen Solwerd en Opwierde opgenomen in de bebouwing. Door de grootschalige havenontwikkeling is Delfzijl de derde havenstad van Nederland geworden. Binnendijks veranderde het landelijke gebied tussen de terpdorpen Farmsum en Borgsweer in een uitgestrekt industrieterrein met onder andere een soda- en een aluminiumfabriek. Als volgende stap in de ontwikkeling van de regio als haven- en industriegebied werd omstreeks 1970 begonnen met de aanleg van de Eemshaven. Grote delen van het haventerrein zijn nog steeds niet bebouwd. 

Een andere voor de regio belangrijke activiteit is het winnen van aardgas. Het streekdorp Slochteren staat bekend om de ontdekking van het gas in 1959. Met name verspreid door het gebied van het Duurswold wordt aardgas gewonnen  en boort men het gas vanuit grote diepte op.