Lancewadplan Logo

Gebiedsidentiteit Terschelling

Hieronder vindt u de beschrijving van dit deelgebied. Een ge?llustreerde beschrijving kunt u als pdf-bestand downloaden. De bijbehorende kaart kunt u als afzonderlijk pdf-bestand downloaden.

Ge?llustreerde beschrijving Terschelling  

Kaart Terschelling  

Geomorfologie
Terschelling is een van de Friese waddeneilanden. Het natuurlijke landschap ontstond door de stijging van de zeespiegel na de laatste ijstijd. Doordat de stijging van het zeewater ook verhoging van het zoete grondwaterpeil tot gevolg had, ontstond parallel aan de kust een zone waarin veen tot ontwikkeling kwam. Op deze veenlaag zette mde zee aan zeezijde klei en zand af, terwijl het veen aan de landzijde zich over de hoger gelegen zandgronden uitbreidde. Als gevolg van de overstroming van het Nauw van Calais, veranderde de zeestroming, die liep meer parallel aan de kust. Hierdoor ontstonden lage duinenreeksen, strandwallen genoemd, door rivieren onderbroken die in de zee uitmondden. Door latere inbraken van de zee werd het veen achter de strandwallen weggeslagen en werden de strandwallen in kleinere stukken verdeeld: de waddeneilanden. Terschelling draagt de sporen van het wonen en werken in een dynamisch kustgebied, waar de afslag op de ene en aangroei op de andere plaats door de sterke zeestroming, van grote invloed is geweest bij het vormen van het eiland. Terschelling heeft net als de Oost-Friese Waddeneilanden, Schiermonnikoog en Ameland, een langgerekte, naar het oosten versmallende vorm met in de beschutting van de duinen diverse dorpen. Verder heeft het een ingepolderde kwelder, haakvormige zandplaten aan de westzijde en aan de oostzijde een uitgestrekt duin- en kweldergebied. Op veel plaatsen zijn de open kweldergronden door een dijk tegen overstromingen vanuit de Waddenzee beschermd, maar Terschelling heeft ook een gebied dat niet bedijkt is en dus bij hoog water onderloopt. Men tracht  greep te krijgen op het proces van aanwas en afslag, daar het eiland een duidelijke tendens vertoont tot verschuiving in oostelijke richting.

Bewonings- en ontginningsgeschiedenis
Terschelling is met zijn lengte van 30 km het langste van de Friese Waddeneilanden. Door de strategische ligging raakte het eiland betrokken bij vele oorlogen. Bij deze oorlogen zijn vele malen dorpen en schepen afgebrand.

Het eiland heeft zes dorpen en een aantal terpachtige nederzettingen in het kweldergebied. Het dorp West-Terschelling is vanouds een nederzetting van vissers, loodsen en zeelieden. De overige dorpen Oosterend, Hoorn, Lies, Formerum, Landerum en Midsland liggen in de beschutting van de duinen op een oude strandwal en hebben een meer agrarisch karakter. De dorpen Formerum en Midsland hebben een structuur die doet denken aan de geestdorpen in Noord-Holland, met wegen die aan de voet van de strandwal lopen. Daarnaast zijn er enkele kleine terpachtige nederzettingen in het kweldergebied zoals Kaart, Knnu en Seeryp. West-Terschelling en Midsland zijn dicht bebouwd, de andere dorpen hebben een meer open bebouwingsstructuur. Vooral West-Terschelling is cultuurhistorisch interessant door de vele oude huizen uit de 17de eeuw en door de vuurtoren uit 1594, Brandaris genaamd, wat de oudste nog bestaande vuurtoren van Nederland is. De Brandaris is gebouwd op last van de Staten van Holland, toen de oude vuurbaak in zee verloren was gegaan. Bijzonder bij deze vuurtoren is het kerkhof gelegen aan de voet van de vuurtoren, waarbij tal van afbeeldingen en opschriften op de grafstenen verwijzen naar het maritieme verleden van de overledenen.

Op Terschelling zijn twee restanten van stinswieren te vinden, bij Oosterend en bij Lies. Beide zijn door Friese familie Popma gebouwd. De activiteiten van de Popma?s op Oost-Terschelling, duiden op het belang van dit deel van het eiland in agrarisch-maritieme zin.

Het boerenbedrijf op Terschelling was vooral gericht op de veehouderij.Daarnaast werden voor de eigen voedselvoorziening en die van het vee, ook groenten en granen verbouwd. De groenten en granen werden verbouwd rond de bebouwing op de zandruggen. Tussen de dorpenrij en de duinen lagen gebieden die men gebruikte als hooiland omdat het kwelwater uit de duinen hier bleef staan waardoor het een moerassig en venig gebied was. Deze hooilanden werden op Terschelling door elzensingels omgeven. De bomen werden vaak aan de vochtige slootkant geplant, zodat de kostbare landbouwgrond zo effici?nt mogelijk kon worden gebruikt.

Aan het eind van de 19de en begin van de 20ste eeuw kwam de landbouw in beter vaarwater terecht. Door de introductie van kunstmest en de aankoop van veevoer werd de landbouw productiever. Hierdoor specialiseerde de landbouw op Terschelling zich steeds meer in de melkveehouderij.

Uniek op Terschelling zijn de boerderijen, gebouwd tussen 1850 en 1930, welke zowel in vorm als indeling uniek zijn. Het gaat om een kop-romp type met als zeer karakteristiek element een dwars uitspringend zadeldak, het sch?ntsje genoemd.

Lange tijd vormde de landbouw een belangrijke, maar smalle bestaansbasis van de eilandbevolking. Er werden echter ook andere manieren gezocht om inkomen te verwerven. Al vanaf de Hanzetijd lag het Waddengebied op de belangrijkste handelsroutes. Toen het zwaartepunt van de handel rond de Zuiderzee zich van de oostkust naar de westkust verplaatste, kwamen steden als Hoorn en Amsterdam op. Van deze verplaatsing profiteerde West-Terschelling, omdat de scheepvaartroute naar de Noordzee via het Vlie verliep. Er vestigde zich zeevaarders en loodsen. Zo kreeg Terschelling, net als Vlieland een belangrijke functie bij het bevoorraden en loodsen van schepen en ontwikkelde, met name West-Terschelling, zich tot een havenplaats. De bloei die de plaats in de Gouden Eeuw kende is nog te zien in de karakteristieke commandeurswoningen, de huizen van de toenmalige scheepskapiteins. Nog in 1874 leverde Terschelling het grootste aantal zeelieden voor de Nederlandse koopvaardij. De nauwe betrekkingen die Terschelling onderhield met de handelsvaart en de visserij resulteerde in 1875 in de oprichting van de zeevaartschool Willem Barentsz. Mede hierdoor en door de centrale ligging van het eiland zijn er belangrijke nautische diensten op het eiland gevestigd, zoals de vaarwegmarkeringsdienst, de Kustwacht en de verkeerscentrale Brandaris, die ook de Centrale Meldpost Waddenzee is.

Extra inkomsten kwamen ook uit de eendenkooien die er op Terschelling zijn. In totaal staan er nog zeven op het eiland. Een eendenkooi bestaat uit een vijver, de kooiplas en ??n of meer vangpijpen. Het geheel wordt omgeven door een kooibos; een soort moerasbos voor rust op de plas en ter bescherming tegen de wind. Een eendenkooi kent het kooirecht, het recht om eenden te mogen vangen, en het afpalingsrecht, waarbinnen de rust niet mocht verstoord worden. De grootte van het gebied met afpalingsrecht varieert, ook de vorm en inrichting van de kooien vertonen verschillen. Er kunnen verschillende typen onderscheiden worden: het Noord-Hollandse, Texelse, Friese en het Terschellinger type. Beide laatste typen stonden model voor de kooien op de Duitse Waddeneilanden.

Door de ruilverkaveling, tussen 1947 en 1950, egaliseerde en vergrootte de versnipperde en smalle kavels aanmerkelijk. De voormalige akkers werden omgezet in weiland, het waterpeil in de polder verlaagde flink en de afwateringverbeterde door de aanleg van afwateringskanalen. Ook werden nieuwe wegen aangelegd en oude dijken afgegraven. Een bijzonder ?cultuurgewas? is de cranberry, die in de 19de eeuw bij toeval aanspoelde en massaal ging groeien in vochtige duinvalleien. Het gewas vraagt weinig onderhoud en de vruchten worden gebruikt in tal van specifieke Terschellinger producten zoals cranberrywijn. Hierdoor is het landschap in die jaren flink veranderd. Een groot deel van het specifieke Terschellinger hooilandengebied ging door de ruilverkaveling verloren. Aan het eind van de 19de eeuw waren er ongeveer 240 boerenbedrijven op Terschelling. Momenteel zijn nog zo?n 20 veeteeltbedrijven in functie. In de 20ste eeuw is het toerisme een steeds grotere rol gaan spelen. Van de Nederlandse Waddeneilanden was Terschelling een echte laatbloeier. Lange tijd bleven de landbouw en de zeevaart de economische dragers van het eiland.